CAREL
KNEULMAN

wij zijn

in grootste eenzaamheid

op weg

 

het meeste

van het allermooiste

laat zich niet omzetten

  

in aarzelend

tastend bewegen

vormen onze handen 

 

Carel Kneulman voor Mari Andriesen 23-10-1979

Voor Carel bij zijn tachtigste verjaardag 12 december 1995

 


CAREL

Carel werd op 15 december 1915 op Wittenburg geboren. Zijn vader die zeeman was hield toen hij trouwde, het varen voor gezien en werd havenarbeider. Het was een man met een groot gevoel voor rechtvaardigheid. In de strijd voor sociale verbeteringen vocht hij mee in de voorste gelederen. Moeder Kneulman steunde haar man door dik en dun ook als het water tot aan de lippen stond zoals tijdens de dertien weken durende staking voor de achturige werkdag. Bijna honderd dagen zonder inkomen het gezin draaiende houden was geen peuleschilletje. Carel kreeg dus het vechten tegen sociaalonrecht met de paplepel ingegoten en heeft dat zijn hele leven gedaan. Hij werd lid van blauwe en rode jeugd organisaties. Het is in die organisaties dat de in hem sluimerende interesse voor culturele zaken gestalte kreeg en de behoefte om zich creatief te uiten gevormd werd. Het is in die tijd dat ik Carel leerde kennen. Toen ik in 1932 twaalf jaar werd woonde ik in Amsterdam Noord en werd Rode Valk bij troep Noordpool van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Zo’n troep bestond uit hordes en ik was lid van horde Poolvos waar Carel in 1935 assistent hordeleider werd. Hij werkte toen op de boekhoud- afdeling van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij. In mijn ogen was Carel een geweldenaar die een mooie stem had, goed kon tekenen en ge- dichten schreef. Hij was ook een sportieveling. Deze eigenschap combineerde hij met zijn sociaal gevoel getuige de brief van verhindering die hij aan de horde schreef. De AJC werd, toen in mei 1940 de Duitsers ons land bezetten, opgeheven. Carel verloor ik uit het oog. Hij nam ontslag bij de scheepsbouw. Hij wilde beeldhouwer worden. Middels contacten met jonge kunstenaars waar onder Freek van de Berg, kwam hij terecht bij de Vrije Academie in de Barndesteeg waar je tegen betaling van vijfentwintig cent naaktmodellen kon tekenen. Hij pro beerde bij verschillende beeldhouwers in de leer te komen maar dat lukte niet. De laatste mogelijkheid die hij had was zich aanmelden bij een van de opleidingsinstituten. Hij ging naar het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in de Gabriël Metsustraat (thans de Rietveld academie) maar werd wegens zijn gevorderde leeftijd niet aangenomen. Wat nu? Hij zat niet bij de pakken neer en besloot om toelatingsexamen bij De Rijks Academie voor Beel- dende Kunsten te doen. Hij vertelt daar over het volgende: ik moest een portret naar levend model maken. Mijn geluk was dat ik te laat kwam en én profil’ kwam te zitten. En face was er niet veel van terecht gekomen, denk ik.Maar nu: het leek ook nog. Het ongelofelijke gebeurde: ik slaagde! Hij kwam in de klas bij professor Jan Bronner op de foto gemaakt door Ad Windig links. Carel is de derde van rechts zittend voor de kachelpijp. Na de academie kwam hij terecht op een zolder op de Bloemgracht. Een soort atelier waar voor hem Jan de Hartog had gewoond. Na korte tijd vond hij op de Zwanenburgwal 42 een atelier dat beter geschikt was voor een beeldhouwer. In de jaren 1944-1950 maakt hij een aantal portretten. Uit deze portretten blijkt dat de invloed van Bronner groot is maar toch is ook het zoeken naar nieuwe vormen soms zichtbaar. Bij het in zandsteen vervaardigde bijna realistische portret van Puck Jongman uit 1947, zijn de haren geabstraheerd weergegeven. Een zandstenen kop uit 1949 is een abstracte weergave van het menselijke gelaat. In dat zelfde jaar maakt hij op tentoonstellingen kennis met het werk van Picasso, Braque en de beeldhouwers Zadkine, Giacometti, Couturier en Germaine Richier en anderen. Hun werk maakt diepe indruk op hem. Hij zelf zegt daar over: opeens zag ik het: dit is mijn wereld, dit zijn mijn geestverwanten. In ’49 deed Carel samen met Herman Herzbergen en Jan Meijer mee aan een prijsvraag voor een buurtcentrum aan de Laanweg in Noord waar hij twee plastieken voor maakten. Zij kregen een penning en een oorkonde het

 

Nol Kneulman 1947 gips. Annie Apol 1947 gips.

  

Jan Sierhuis gips 1947 Puck Jongman zandsteen 1949

 Abstract portret. zandsteen 1949 Dich Kneulman steen 1949/1950
project werd nooit uitgevoerd. Uit die zelfde tijd stamt ook het helaas verloren gegane beeld ‘Luisterende vrouw’. Een ontroerend beeld van een in verwachting zijnde vrouw die luistert naar het in haar groeiende leven. Naast de moederlijke vreugde die het uit- straalt spreekt er ook een zekere gela- tenheid uit alsof zij zich afvraagt, wat moet er in deze wereld van dat kind terechtkomen. Het beeld ‘Het magere meisje’ zou een afbeelding van dat kind enige jaren later kunnen zijn. Dezelfde verwachtingsvolle uitstraling vermengd met het angstgevoel voor wat er komen gaat.